zondag 11 november 2012

Barack met een bijbelse oorsprong?

De presidentsverkiezingen zijn achter de rug, en de Amerikanen hebben gekozen voor "four more years". Anderen houden zich bezig met politiek, LinguaLog is er voor de taal, en zij vroeg zich af wat de oorsprong van de naam Barack Obama is.
De vader van Obama was een Keniaan, en inderdaad, Obama is een Keniaanse familienaam, meer precies van de Luo-stam. De naam is afgeleid van een werkwoord uit de Luo-taal dat gedraaid zijn betekent. Vooral Luo's die bekeerd waren tot de islam droegen die naam. Naar de islam verwijst ook Obama's tweede voornaam, Hussein.
En Barack, hoe Afrikaans is die naam? Welnu, maar een klein beetje. De oorsprong is Arabisch/ Hebreeuws, aangepast aan het taalsysteem van de Luo-taal. In het Hebreeuws luidt de naam Baruch, de gezegende; die naam is ook bij ons bekend. Arabisch en Hebreeuws zijn verwante talen, en Barack zal wel van de Arabische versie afgeleid zijn. De -ck is Engels, en is misschien toegevoegd door de Amerikaanse moeder van Obama.
Obama's tegenstrever was Mitt Romney. Waar komt die voornaam vandaan? Romney heet officieel Willard Mitt. Oorspronkelijk zijn deze twee namen achternamen. Willard is afgeleid van het Oudengelse Wilheard, wat hij die dapper wil zijn betekent. Mitt is een afleiding van Milton. Er zijn twee verklaringen van de naam: mill-town en middle-town. Maar hoe dan ook, het is geen voornaam in de klassieke zin.

In de Verenigde Staten is het heel gewoon om een kind een voornaam te geven die eigenlijk een achternaam is. Meestal verwijzen die namen naar de plaats waar de familie oorspronkelijk vandaan kwam. Graham, Newt (Newton), Percy, Brooke, Whitney.
Een dergelijke naamgeving vinden we ook sporadisch bij ons. De bekendste naam is Tesselschade, vaak verkort tot Tessel, inderdaad afgeleid van het eiland Texel.
Misschien zijn er nog meer van dit soort namen bij ons, maar LinguaLog kent ze niet. LinguaLog wacht op mogelijke reacties van u.

zondag 4 november 2012

Van grote rivier tot rood eiland

Aanstaande dinsdag zijn de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten. Tijd voor een etymologische reis door het land.
Deze laatste dagen richten de presidentskandidaten zich vooral op Ohio, want voor beiden is het van het grootste belang deze staat te winnen. Ohio is ontleend aan een van de vele inheemse indianentalen. Het woord ohi-yo betekent grote rivier. De hoofdstad van Ohio is Columbus, natuurlijk genoemd naar de ontdekker van het continent.
Het continent zelf, Amerika, is trouwens genoemd naar een andere ontdekkingsreiziger en tijdgenoot van Columbus, Amerigo Vespucci.
LinguaLog scrolde op Google Maps door Ohio op zoek naar de grote rivier(en) waar de staat naar genoemd is; het is leuk om de grote variëteit aan plaatsnamen te zien: je komt allerlei namen tegen die ook in Europa voorkomen: Toledo, Cambridge, London; maar ook Napoleon en Cicero komen voorbij. En de plaatsnaam Delphi zal wel niet gekozen zijn omdat de Indianen ook een orakel hadden…
Cincinnati is een grote stad in Ohio, gesticht in 1788. De naam komt, indirect, uit de oudheid, en is ontleend aan de Society of the Cincinnati, een vereniging van oud-officieren uit de Onafhankelijkheidsoorlog. Na afloop van de oorlog waren ze teruggekeerd in hun burgerberoep. Cincinnatus was een Romeins veldheer die in 458 v. Chr. dictator geweest was. In tijden van nood kon in het oude Rome iemand voor een half jaar tot dictator benoemd worden, waarna de normale situatie van twee consuls aan de top weer hersteld werd. Cincinnatus was meteen na afloop van zijn dictatorschap teruggegaan naar zijn boerenbedrijf, en gold als voorbeeld voor de oude deugden van het antieke Rome.
Veel namen van staten zijn afgeleid van namen en woorden uit de talen van de oorspronkelijke bewoners. LinguaLog kent die talen niet en kan daar dus niet echt iets over vertellen. Je moet denken aan namen als Oklahoma, Wyoming, Illinois. Bijna evenveel staten ontlenen hun naam aan Europese talen: Florida, Colorado, Montana. Europese vorsten waren ook populair: Louisiana is genoemd naar de Franse Louis XIV, en Maryland naar Henrietta Maria, vrouw van Charles I van Engeland; Vermont is gevormd naar vert + mont, groene berg; California komt uit een Spaanse 16e-eeuwse roman en was de naam van een mythisch eiland waar de amazonen woonden.
Eén staat heeft een Nederlandse oorsprong: Rhode Island. Het komt van roodt eylandt, naar een klein eilandje vlak voor de kust, waar Nederlandse kolonisten zich gevestigd hadden. Anderen zeggen dat het, vanwege de overeenkomst in vorm, afgeleid is van het Griekse eiland Rhodos, maar LinguaLog gelooft daar niets van.
Er mag dan heel veel van het moderne idioom uit de oudheid komen, maar ook weer niet alles! Over woorden die echt uit de klassieke oudheid komen, gaat een volgende column wel weer eens.

dinsdag 23 oktober 2012

Gewoon met de fiets

Het gedoe rond Lance Armstrong is weer eens een gevalletje van eerlijk duurt het langst. De kranten staan er vol van, en dan worden er ook taalfouten gemaakt door de journalisten. Zo biedt Armstrong, waarschijnlijk ongewild, LinguaLog stof voor een blog.
In de krant was vorige week de volgende zin te lezen: Doping voegt extra dimensie toe aan wielerssport.
Ziet u wat er vreemd is in deze zin? De meeste mensen zouden, denkt LinguaLog, wielerssport met maar één s schrijven. Ook het Groene Boekje heeft alleen de schrijfwijze met één s.
Eerst maar eens kijken hoe de regel precies is, dan kunnen we vervolgens kijken of we ervan kunnen afwijken. Ja, lezers, er is in het Groene Boekje, voor zover LinguaLog weet, één situatie waarin de spelling aan u wordt overgelaten. Dat is de regel van de tussen-s.
Oorspronkelijk was de -s de uitgang van de tweede naamval, waarmee bezit uitgedrukt werd: Stationsstraat, slagersmes. Daarom zeg je nooit Bakkersstraat, maar wel broodmes: vroeger zaten de bakkers bij elkaar in één straat, en die s hoort bij het enkelvoud; een broodmes is geen mes van het brood, maar voor het brood, en dat vereist een andere naamval. De s is er in de loop van de tijd bij allerlei woorden tussen gekomen waar hij strikt volgens het woordgeslacht niet thuishoorde: omgevingslawaai, gelegenheidscoalitie. De Taalunie, van het Groene Boekje, heeft voor dit soort woorden de regel geformuleerd dat er twee schrijfwijzen zijn, mét en zónder s. Je schrijft gewoon de s als je hem hoort. Veel van deze woorden staan op beide manieren in de Woordenlijst. Je kunt dus tot op zekere hoogte je eigen voorkeur volgen. Wel is vaak de ene schrijfwijze gebruikelijker dan de andere.
Toch gaat het soms fout, zoals in het voorbeeld uit de krant. Wielerssport is raar. Dat komt doordat -sport van zichzelf een s heeft, én doordat wieler- geen gewoon zelfstandig naamwoord is.

Een vergelijkbare fout kwam LinguaLog laatst tegen met voorzittersschap. Ook hier: raar, die dubbele s, maar om een andere reden: -schap is hier geen zelfstandig naamwoord, maar een suffix (achtervoegsel). En dan geldt die regel van een s schrijven als je hem hoort, niet.
U moet voor de aardigheid voorzittersschap eens googelen, LinguaLog heeft dat ook gedaan. Google denkt dan dat je op zoek bent naar schappen, en je krijgt dan allerlei ingangen en reclames voor bouwmarkten. Een plankje met voorzitters naast je verzameling boeken of cd's. Fabrikanten van ladders varen ongetwijfeld wel bij de wielerssport.
Ga maar gewoon fietsen, dat scheelt een hoop problemen op spellingsgebied!

zondag 14 oktober 2012

Storting

Deze week was het weer spannend: wie krijgen de Nobelprijzen? De meeste commotie heerst altijd rond de toekenning van de vredesprijs. Deze prijs wordt altijd toegekend door een Noors comité, in tegenstelling tot de andere prijzen, waarover in het vaderland van Alfred Nobel, Zweden, beslist wordt.
In de krant was het volgende te lezen: De vijf leden (van het Nobelprijs-comité) worden aangewezen door het parlement van Noorwegen, het Storting.
Toen was het tijd voor LinguaLog. Het Storting, dat klonk toch een beetje raar, vond zij. Waarom niet de Storting? Om te beginnen: dat mag ook, althans volgens het Witte Boekje. Maar waar komt het dan vandaan? Ja, het is het parlement, anderzijds: wij zeggen de Tweede Kamer. Wij zouden het toch raar vinden als Duitsers het Tweede Kamer zouden zeggen, omdat hun woord Parlament ook onzijdig is.
In het Noors is Storting onzijdig: wie het woord in de Noorse versie van de Wikipedia opzoekt, leest daar trouwens Stortinget: in het Noors staat het lidwoord achter het zelfstandig naamwoord, en -et is het onzijdige lidwoord.
Toch is het onzijdig minder raar dan het lijkt. Daarvoor kijken we naar de etymologie van het woord. Ting is precies hetzelfde als ons ding, dat onzijdig is. Ding is een oud woord: de eerste vermelding dateert uit de tiende eeuw. De betekenis voorwerp is niet de oorspronkelijke.
In de middeleeuwen betekende het woord eigendom, bezigheid. Omdat je nu eenmaal conflicten kunt hebben over eigendom of bezigheden, ontwikkelden zich de betekenissen rechtszaak > plaats van de rechtszaak > vergadering > volksvergadering. In die laatste betekenis zien we het dus in Storting.
In het Nederlands vinden we de oude betekenis nog in het woord geding: een rechtsgeschil.
Ook het woord dinsdag is van het oude ding afgeleid: rechtszaken en vergaderingen vonden plaats op dingsdag, de dag van het ding. De s is hier de oude naamvals-s; de g is verdwenen, misschien onder invloed van woensdag.
De oorsprong van ding hangt samen met de Germaanse rechtsgod Tiwaz. Het beste is dat te zien in het Engelse Tuesday, Tiw's day.

Tot slot het eerste deel van het woord Storting: stor betekent groot. De grote vergadering dus. Ons woord stoer hangt hier ongetwijfeld mee samen, net als stary, oud, dat we in diverse Slavische talen vinden.

De Nobelprijs voor de Vrede wordt trouwens dit jaar niet op dinsdag uitgereikt, maar op maandag.

zondag 30 september 2012

Met LinguaLog incluis

In Onze Taal van deze maand staat een artikel (van de hand van Joop van der Horst) over het veranderende gebruik van aldus en incluis. LinguaLog denkt dat zij aan de bespreking van incluis wel wat kan toevoegen. Een beetje technisch wordt deze column misschien wel, maar geïnteresseerden vinden het vast wel leuk om iets te lezen wat ze nog niet wisten.
We kennen incluis allemaal in zinnen als: 'De hele familie, opa en oma incluis, heeft een midweek in een bungalowpark geboekt.' Onze Taal signaleert een toenemend gebruik van de constructie incluis opa en oma: een verschuiving van bijwoord naar voorzetsel.
LinguaLog benadert dit soort zaken altijd vanuit het Latijn. Incluis is afgeleid van het Latijnse inclusus. Dat is daar een deelwoord en betekent ingesloten.
Het Latijn maakt ruim gebruik van zogenoemde absolute constructies: een combinatie van een (zelfstandig) naamwoord en een deelwoord, die los staat van de eigenlijke zin, zoals dat het geval is bij een bijwoordelijke bepaling. In het Nederlands is daar weinig van over, behalve in enkele uitdrukkingen:
ijs en weder dienende, hangende het onderzoek, gezien haar grote ervaring.
We zien hier inderdaad de combinatie van deelwoord en zelfstandig naamwoord, in beide volgordes, zoals ook in het Latijn mogelijk was. Waarschijnlijk dateren deze combinaties uit de zeventiende eeuw, toen schrijvers als P.C. Hooft hun teksten doorspekten met aan het Latijn ontleende zinsconstructies.
Op een gegeven moment werd dit soort constructies niet meer begrepen: In het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) staat 'De heele familie met de booien (boden) incluis is naar Scheveningen gegaan.' Met is hier overbodig (pleonastisch).
Eén stap verder is dat incluis als voorzetsel gebruikt gaat worden. In het geval van incluis is dat niet zo gek, want het is eigenlijk synoniem met inclusief, en dat staat meestal vóór het zelfstandig naamwoord.

In het Latijn heeft er ook een verschuiving plaatsgevonden van bijwoord naar voorzetsel: het Latijn heeft naamvallen en strikt genomen zijn in een naamvalstaal voorzetsels overbodig: je gebruikt gewoon een aparte naamval. Veel Latijnse voorzetsels zijn hun leven begonnen als bijwoord en gaan later als voorzetsel door het leven: pro betekende oorspronkelijk tevoren, maar ontwikkelde zich tot voor.
Ook andere talen hebben dit soort absolute constructies:
The elevator being broken, the employees had to walk/use the stairs.
La nuit tombée, elle chercha un hôtel.
Finite le vacanze, dovrò riprendere il lavoro. (Omdat/Als de vakantie voorbij is moet ik weer aan het werk.)

Aan het rijtje gedurende, uitgezonderd, betreffende wordt dus voorzichtig weer een woord toegevoegd, alhoewel: de eerste vermelding van incluis als voorzetsel dateert al uit 1859!
Taalontwikkelingen vinden vaak eerder plaats dan we denken, woorden zijn vaak ouder dan we denken. Daarover gaat een volgende column.

zondag 23 september 2012

Argusogen

Iedereen kijkt met argusogen naar het verloop van de kabinetsformatie.
We weten allemaal wel wat deze uitdrukking betekent: heel goed naar iets kijken, met een ondertoon van 'als dat maar goed gaat'.
Wat zijn dat toch, argusogen?
In de eerste plaats: wat is het níét?
Je zou misschien denken dat het woord verwant is met argwanend en argeloos. De betekenis van beide woorden komt wel in de buurt van die van argusogen. Maar ze hebben er niets mee te maken. Arg is een nevenvorm van erg, in de betekenis slecht, boosaardig. Argeloos is dus zonder boosaardigheid.
Argusogen zijn de ogen van Argus en de uitdrukking vindt zijn oorsprong in een verhaal uit de mythologie, verteld door Ovidius.
Io was een mooie waternimf en Jupiter had een oogje op haar. Omdat hij de argwaan bij zijn echtgenote Juno bemerkte, veranderde hij Io in een prachtige jonge koe. Maar ook dit had Juno door en ze vroeg of zij de koe mocht hebben. Jupiter kon niet anders dan toestemmen. Juno nam Io mee en stelde haar onder bewaking van Argus, een reus met honderd ogen, waarvan er nooit meer dan twee tegelijk sliepen. Io's vader, de riviergod Inachus, was naar haar op zoek en Io, die haar menselijke geest behouden had, maakte hem duidelijk wat er gebeurd was. Jupiter zwichtte uiteindelijk voor de smeekbeden van Inachus: hij stuurde Mercurius naar Argus om hem te doden. Uiteindelijk lukte het Mercurius, spelend op de panfluit, om alle ogen van Argus in slaap te krijgen, waarna hij hem doodde. Nu was Juno erg verdrietig. Ze verzamelde alle ogen van Argus en zette ze op de staart van de aan haar gewijde vogel, de pauw. Ze stuurde als straf de wraakgodinnen op Io af, die haar als horzels op de huid zaten. Toch liep het met Io goed af: Jupiter kreeg medelijden en veranderde haar weer in een meisje. Ze was inmiddels in Egypte terechtgekomen en daar trouwde ze en kreeg een zoon.

Hoe kunnen zulke verhalen ontstaan? LinguaLog denkt dat het zo is gegaan: de mensen verbaasden zich over allerlei zaken rondom hen heen, zonder dat ze er een verklaring voor hadden: de seizoenen, regen, mooie dieren (de pauw), mooie planten. Van de evolutie had nog nooit iemand gehoord, en de mensen meenden dat al die zaken wel een goddelijke oorsprong moesten hebben. Zo kwamen de verhalen in de wereld. We noemen dit een etiologische verklaring, de leer van de oorzaken.

zondag 16 september 2012

De overtreffendste trap

LinguaLog is vanmorgen naar de lapjesmarkt geweest. Zo heette die natuurlijk niet, want wie wil daar tegenwoordig nou nog heen? Het evenement heette Stoffenspektakel, gelukkig wel zonder spatie trouwens. Wat is dat toch tegenwoordig? LinguaLog bespeurt een tendens om zaken niet een gewone naam te geven, maar er moet altijd nog een schepje bovenop. De TROS-radio heeft al jaren een Nieuwsshow, de stoffenbeurs heet ineens spektakel.
In Frankrijk heb je van die hele grote supermarkten. Hoe noem je je supermarkt als je wilt aangeven dat hij groter is dan die van je concurrent? Hypermarché, of, nog groter, Géant. En de volgende, hoe moet je die dan noemen? Er treedt zogezegd inflatie in de naamgeving op. Dan is Albert Heijn toch heel wat simpeler en huiselijker. Dat past ons Nederlanders wel, denkt LinguaLog. Aan de andere kant van het spectrum zit Lidl, maar die naam is bedacht om aan te geven hoe laag de prijzen zijn.
Bijvoeglijke naamwoorden, ook zoiets. Die hebben bijna allemaal een vergrotende en overtreffende trap: groot – groter – grootst. Heel nuttig en zinvol allemaal. Nu zijn er ook bijvoeglijke naamwoorden met een absolute betekenis: je bent het of je bent het niet: zwanger, dood. Meer of minder kan niet. En meer dan de overtreffende trap kan ook niet: de Mount Everest is de hoogste berg op aarde, punt.
Alhoewel, die notie is tegenwoordig aan het slijten. Woorden als perfect, ideaal en optimaal zijn afgezwakt geraakt. De Taalunie heeft een website met taaladviezen en daar noemt zij een perfectere minnaar en de meest ideale vakantie acceptabel. Bij optimaal ligt het iets anders. Optimaal is afgeleid van het Latijnse optimus, de overtreffende trap van bonus, goed. De Taalunie denkt dat het meest optimaal nog niet voldoende ingeburgerd en acceptabel is.
Uniek kan strikt genomen ook niet in de overtreffende trap. Toch wordt het veel gedaan, googel er maar eens op:
Meest uniek aan 't Speelhuis is (was, LL) toch wel de intieme theaterzaal.
Het meest uniek aan Alphen aan den Rijn is misschien wel de ligging.
Vooral reclamemakers zijn dol op het meest optimaal/uniek.
Wat moeten we hier nu mee?
LinguaLog hoort niet tot de preciezen die meteen zeggen: fout, kan niet, mag niet. Anderzijds stoort de inflatie haar wel een beetje. Want wat moet je nu zeggen als meest uniek algemeen geaccepteerd is, en je wilt aangeven dat het nóg unieker is?
Het wordt allemaal zo schreeuwerig, alsof je boodschap zonder die superlatieven niet overkomt. Misschien is de boodschap dan wel niet goed genoeg.
En misschien moeten we gewoon terug naar het oude spreekwoord Goede wijn behoeft geen krans.
Inmiddels zultt u wel begrepen hebben dat de titel van dit blog geen tikfout was!